banner to homepage of art7d.be

naar startpagina van geschiedenis naar overzicht van geschiedenis schilderkunst voor 1840 schilderkunst 1840-1870 schilderkunst 1870-1880 schilderkunst1880-1890 schilderkunst 1890-1900 schilderkunst 1900-1910 schilderkunst 1910-20 schilderkunst 1920-30 schilderkunst na 1930 schilderkunst in china schilderkunst in japan tijdlijnen van enige schilders elke maand 4 nieuwe afbeeldingen schilderkunst geschidenis van de kleurstoffen

Over-stromingen, Geschiedenis van de moderne Schilderkuns, 1900 - 10

EERSTE TIEN JAAR VAN VORIGE EEUW: OPKOMST VAN FAUVISME, EXPRESSIONISME EN KUBISME,
MAAR NOG NIET HET EINDE VAN IMPRESSIONISME EN SYMBOLISME

In 1900 verbond de telegraaf de ganse westerse wereld. Er waren in de Verenigde Staten alleen al meer dan 1,4 miljoen telefoons, 8000 geregistreerde automobielen en 24 miljoen electrische gloeilampen. In 1900 schrijft Freud zijn Traumdeutung en krijgt de eerste Franse vrouw een functie in het gerecht. Van 1905 dateert Einsteins relativiteitstheorie en in 1912 levert Bohr het eerste aanschouwelijk model van een atoom. In 1905 heeft ook de eerste Russische revolutie plaats, met opstanden en stakingen. In 1908 vond Orville Wrights' eerste vliegtuigvlucht van een uur plaats.

click the thumbnails

Claude Monet
The parliament 1904

Paul Cézanne
Sainte-Victoire Mountain 1904-06

Paul Cézanne
The black Castle1906

Maximilien Luce
The Pile Drivers
Quai de la Seine at Billancourt 1902-1903

Leon de Smet
Woman at the Windows 1909

Károly Ferenczy
Octóber 1903

Pelliza da Volpedo
Quarto Estado

Pelliza da Volpedo
l'Amore nella Vita

Gaetano Previati
Dance of the Rose 1903

Leon Spilliaert
Night 1906

Odilon Redon
Bouddha 1905

Eugene Carriere
Woman with a Baby on her Lap

Frantisek Kupka
The voice of Silence1903

Frantisek Kupka
Babylon 1906

Mehoffer
Strange Garden 1903

André Derain
Port de Collioure,
le Chaval Blanc 1905

Henri Matisse
Happiness of Life 1906

Henri Matisse
The Dance 1910

Orthon Friesz
The harbour of Antwerp 1906

Orthon Friesz
La Ciotat 1907

Alexei von Jawlensky
Portrait of Alexander Sacharov 1909

Witold Wojtkiewicz 
Rozstanie 1908

Wassily Kandinsky
Couple riding 1906

Gustav Klimt
The Kiss 1907-08

Vassili Ivanovitsj Denissov
The Sinn 1902

Boris Dmitrjevitsj Grigorjev
Stylised Landscape 1909

Tivadar Csontváry Kosztka
Roman Bridge at Mostar 1902

TivaTheo van Rysselberghe
The Garden of Felicien Rops 1910

Mikalojus Ciurlionis
Allegro (Sonata of the sun), 1907

Leon Dabo
The Seashore, 1900

 

Diverse stijlen bloeien verder

Toen La libre Esthétique in 1904 een expositie organiseerde van het impressionisme waren velen al dood: Pissarro, Manet, Sisley, Morisot, Gauguin, Van Gogh, Seurat en Toulouse-Lautrec. Monet schilderde in 1901 zijn "Le parlement, ciel orageux", bijna abstract en gelijkend op Turner. Cézanne werkte kleurig in vlekken, nat in nat, maar ook op gedroogde onderlaag, scherp afgelijnd, vaak met contouren of schaduwrand. Signac's toetsen werden groter, verticaal of horizontaal op het doek zoals de bakstenen van een muur. Luce schilderde een veelkleurig pointillisme: stadszichten, maar ook sociaal-politiek. Cross' pointillisme valt op door licht-donker-effecten en bijzondere kleuren. Er kwamen nog steeds impressionistische schilders bij, zoals Leon De Smet in België: met veelkleurige, heel lichte toetsen stralen zijn doeken een unieke sfeer uit, met vormen die vervagen in trillend licht. In Hongarije is Ferenczy de eerste echt mooie impressionist.
In Frankrijk werkte Vuillard snel, weinig afgebakend, vele kleuren, vlakken, streepjes of stipjes, dit alles bijeen. In de jaren '30 zal hij terug realistisch schilderen. Ook Loiseau is mooi, maar er kwamen ook veel minder goede schilders op.
In Italië maakten Balla, Boccioni en da Volpedo prachtig pointillisme, ofschoon het beroemde werk "Quarto Estado" van de Volpedo realistisch geschilderd is. De Spanjaarden zijn minder goed, met uitzondering van Bastida.
De Art Nouveau was een stijl van "decadence": een gemoedstoestand van gelatenheid en desillusie, zonder geloof in een opperwezen of vooruitgang van de beschaving. Schilderen deed men niet om de mensheid te dienen, maar om persoonlijke redenen, zoals om te genezen, als een therapie als het ware. Sommige schilders maakten goed werk in hun "donkere" periode en ontaardden later. Bijvoorbeeld Spilliaert, die mooie werken maakte tussen 1900 en 1910, vaak in mengtechniek van inkt, pastel, gouache en waterverf, met contouren, sterke licht-donker-effecten, in een hallucinerende sfeer. Rond 1913 verdween zijn symbolisme grotendeels, voor een banaal soort impressionisme.
Ook Redon werkte meer decoratief, zoals in bloemstukken, stillevens en portretten. Toch bleef hij meesterwerken maken: "Bloemwolken" (1903) is een zeilboot aan de zijkant en de rest is lucht en zee, een wirwar van kleuren zonder vorm. Boeddha (1903) voor zijn boom, is omringd door vreemde wezens. Zijn techniek doet soms aan Degas denken: zowel diverse kleurtoetsen dooreen, als over elkaar schuivende dunne lagen.
De Rus Vroebel, die af te rekenen had met vlagen van waanzin, maakte zijn zesvleugelige serafijn in 1904, de hand met de lamp had van de veel latere Dubuffet kunnen zijn!
Carrière maakte heel floers en enkel in okertinten (warme tinten, nooit vaal) mysterieuze taferelen. Kupka werkte in de grootste diversiteit : "Les joies" (1900) lijkt op Pissarro, "La Vague" is scherp en prachtig, "Les baigneuses" (1906) lijkt expressionisme, "Le principe de la vie" (1900-1903) oogt surrealistisch, evenals zijn lugubere sfinksen : "La voie du silence". Mehoffer maakte in 1903 zijn "Jardin étrange": een zonovergoten bloementuin met een reusachtige libel.
Munch werkte nog steeds in zijn expressief nabisme met ronde vormen. Geleidelijk nam hij er afstand van en komen kleurstrepen boven. Hij leunde in de komende jaren meer aan bij het Duitse expressionisme.
In Polen schilderden Stanislavski, Weiss en Slevinski heel mooi in art nouveau.

 

Maurice De Vlaminck, Boujival, 1905

Het fauvisme

In Frankrijk begonnen enige schilders meer "wild" te werken en werden daarom fauvisten genoemd. "Bougival" (1905) van De Vlaminck toont ons felle kleuren, rood en geel zijn nu meer favoriet dan het blauw en zachtgroen van de impressionisten. Er zijn evenveel vlekken, contourlijnen en andere lijnen, als grote toetsen. Het landschap is vaak moeilijk te onderscheiden. Derain gebruikte voor ongeveer drie vierden grote toetsen en voor een vierde vlakken (de daken en de zee) in "Collioure" (1904) en heel veel van de licht okeren ondergrond liet hij bloot liggen. In "Het drogen van de zeilen" maakte hij prachtig gebruik van dergelijke "lege" plaatsen.

 
Bij "Madame Matisse of de groene streep"(1905) van Matisse zie je dat werkelijke kleur geen belang meer heeft, het gezicht is een kleurig schilderij op zich. De kleur leidt bij de fauvisten een eigen bestaan, kleur voor de kleur, of anders gezegd: de beeldvorming blijft, maar de kleur is abstract. Bij de "Zigeunerin" (1906) zie je een feest van kleuren in dikke verf en grove borstelstreken. Heel "primitief" als een kindertekening, de borstelstreken hoeven de contouren niet te volgen. In 1907 krijgt Matisse een heel andere stijl: nog primitiever, soberder, weinig op het doek en eerder getekend dan geschilderd.
Ook Bracque schilderde fauvistisch, bijvoorbeeld "Haven van Antwerpen": een bont spektakel van kleuren, vol grote toetsen. De Vlaminck schilderde steeds meer in toetsen, vlekken en langere strepen van bonte kleuren door elkaar, het onderwerp vaak onherkenbaar. Friesz liet op diverse plaatsen zijn kleurvlekken en toetsen dun in elkaar overlopen, en op andere plaatsen grenzen strakke lijnen duidelijk af. Dufy's stijl is meer een tekenen in diverse kleuren.
De fauvisten lijken met hun omtrokken vlakken, waarbinnen diverse sterke kleuren, een geëxplodeerde Gauguin. Ook van het pointillisme houden zij iets over in het gebruik van toetsen.
 

Het expressionisme

Het is de art nouveau die met de herwaardering van de lijn aanzet heeft gegeven naar meer expressiviteit: haar krachtige lijnen gingen vaak veel verder dan de "zweepslag", vooral in de lichaamsomtrekken. De houding van de mens werd bron van expressie. Het was de tijd waarin men nieuwe dansvormen zocht, zich afzettend tegen de afgemeten, expressieloze sierlijkheid van het ballet. Loïe Fuller gaf de eerste aanzet. Haar beweging verlengde zich in kledij en allerlei doeken, die zij deed stralen in de kleuren van de nieuwe elektrische zoeklichten. In 1893 deed zij al de harten van de symbolisten oplaaien. Ze was ook een goede zakenvrouw en had groot succes in Europa en Amerika. In de ogen van de danswereld zelf werd zij maar matig bevonden, maar vele kunstenaars waren gek op haar. In feite toonde zij "kinetische kunst". De vormen van de stoffen die rondzwierden hadden merkwaardige overeenkomsten met de lijnen en vormen van art nouveauen nabisme. Loïe Fuller leidde ook Isodora Duncan op, die een andere richting opging. Deze inspireerde zich bijvoorbeeld op Oud-Griekse dans, maar wou vooral een dans, die emotie uitdrukte in houding, beweging en mimiek. Die spontaan en heel lichamelijk was, sensueel kon zijn of mystiek. Ruth Saint-Denis creëerde haar eigen dans uit Oosterse dansen, waar zij mystieke expressie uit haalde, los van de plaatselijke cultuursymbolen die deze dansen in het land van oorsprong hebben. Zo maakte zij een universele Oosterse dans, die erg aansloot bij de theosofie uit die tijd. Haar groep, de Denishawn (met haar man, Ted Shawn), zal de grondslag worden van de moderne dans.
Via de kolonies en de handel met, en foto's en films uit verre landen, alsook optredens van groepen uit die landen, en de nieuwe mode om verre reizen te maken, kwam het publiek ook in contact met expressievere dansvormen, die een diepe indruk maakten op kunstenaars, zoals bijvoorbeeld Afrikaanse dansen of Derwisjen. Deze dansen brachten ook een herwaardering van expressieve Oud-Europese dansen.
Al deze nieuwe vormen van dans, waarin expressie middelpunt was, deed de waardering voor expressieve vorm en lijn erg toenemen. Was de lijn in de art nouveau nog zorgvuldig neergezet, steeds meer schilders wilden hun eigen kracht en beweging in borstelstreken uiten, zo werd de kunst ook op die manier expressiever.

Vooral Duitsland was sterk in expressie. Reeds in de renaissance hadden de Duitse werken meer expressie dan elders, zowel in de gestalten als in het kleurgebruik. Daarna leek het potentieel te sluimeren, tot het goede moment er was om open to bloeien.

 
Hodler gaf de eerste aanzet. Hij schilderde in 1899 en 1900 zijn eerste versie van "De dag" met dansfiguren in dramatische houdingen. Hij zette zwierige lijnen en liet de achtergrond sober, in eentonige vlakken, soms met kleine fijne bloempjes.

Fernand Hodler, De Dag, 1900

 
Toch bleef hij in lijn en kleur heel ver van Die Brücke. Die Brücke werd opgericht in1905 te Dresden door Kirchner, Heckel, Schmidt-Rottluff en Bleyl. Kirchner was de meest leidende persoon. Vooral Van Gogh had indruk op hem gemaakt, Signac of Pissarro vind hij veel te disciplinair. Die Brücke wordt vaak als voorbeeld genomen hoe artiesten in een vereniging kunnen samenhoren. Hiermee wordt een erg verkeerd beeld opgeroepen: Die Brücke had in feite weinig belang. De schilders ervan hadden voordien al hun specifieke stijl, bleven een tijd gelijkaardig werken en groeiden later terug uit elkaar. Heel wat Duitse expressionisten hebben nooit iets met die Brücke te maken gehad. Die Brücke heeft slechts acht jaar standgehouden, en ontbond zich in 1913. Nolde werd gevraagd om toe te treden, en was lid in 1906 en 1907. In 1908 schilderde hij kinderlijk eenvoudig, snel gemaakt, veel vlakken, felle en soms toch doffe kleuren, perspectiefloos, met voorkeur voor helgroen. Contouren komen nog voor, zelfs dubbele, ook rond details.
Sommigen werden lid genoemd zonder iets met de leden te doen, zoals Amiet, Gallen-Kallela, Van Dongen of Kubista (een Tsjech). Pechstein was lid vanaf 1906. Mueller pas vanaf 1910.
 

Ernst Ludwig Kirchner, Marzela, 1909 - '10

Kirchner schilderde in 1906 nog in felkleurige toetsen en vaak hoekige strepen, zonder contouren. Zoals bij alle expressionisten had kleur geen band meer met werkelijkheid, en diende nog enkel om emotie uit te drukken. Pechstein schilderde nog in toetsen en strepen. Modersohn-Becker ging van een heel mooi impressionisme over op hoekige, ruwe, effen vlakken met dikke contouren. De "Kinderwagen met geit" uit 1905 toont al het zo specifieke kinderlijke. Ook werken van kinderen hadden de Duitse expressionisten erg geïnspireerd.
Jawlevsky ging in 1907 over van fauvisme naar monochrome, vaak robuuste vlakken, in felle dramatische kleuren, dikke lijnen, zwarte contouren. Nolde werkte in 1908 nog in kleurig dik opgelegde vlekken dooreen. Kirchner kreeg zijn typerende scherphoekige vormen en lijnen, met veel felgroen, vanaf ongeveer 1910. Rohlfs was al bijna 50 toen hij bij Die Brücke kwam en had toen reeds een groot oeuvre. Hij begon op 58 aan linoleum en houtsneden, zo gegeerd door de expressionisten. Je herkent de houtsneden zelfs in zijn schilderijen. Heckel's kleuren zijn schreeuwerig en dof tegelijk, met dunne snelle lijnen of borstelstreken overal doorheen.
 
Na experimenteren in diverse stijlen behaalde Picasso succes vanaf 1901 door wat zijn blauwe periode wordt genoemd, een stijl die hij overneemt van het werk "Spaanse muzikanten" van Emile Bernard uit 1897. Vanaf 1904 schilderde hij in diverse kleuren, de term "roze periode" hiervoor is totaal verkeerd, veel beter ware de term "nabistische periode". Populair werd hij ook door zijn vele circustaferelen en clowns. Tot vandaag is een mode blijven bestaan van kitsch-clowns in de huiskamer in "moderne stijl", gebaseerd op de clowns van Picasso. Bij "Les demoiselles d'Avignon" (1907) krijgt hij een heel eigen stijl en creëert hij een niet-gecentreerd kubisme.

Emile Bernard
Spaanse Muzikanten 1897

 

Pablo Picasso
De Armen aan de Kust, 1903

 

Witold Wojtkiewicz, Ontvoering van een prinses (Porwanie Krodewny), 1908

Naast Weiss komt in Polen een tweede heel expressief genie: Wojtkiewicz schildert een wereld van kinderen en poppen in soms erg onduidelijke vormgeving, soms meer in detail uitgewerkt en met grillige lijntjes, sprookjesachtig, maar heel expressief, vol beweging: in houdingen en gezichten, in lijnen en toetsen, ook in zijn kleuren: bijvoorbeeld "Ontvoering van een prinses" (1908).
De Poolse Olga Boznanska schilderde in Parijs met heel dunne doorzichtige toetsen over elkaar, in het geheel gezien sober van kleur. Op haar hoogtepunt maakt zij meesterwerken, zoals bijvoorbeeld "Portret van twee meisjes" (1906), of "Portret van Gabriële Reval" (1912). Ze wilde geen impressioniste genoemd worden en sloot zich aan bij de "synthetisten en intimisten".
 
Kandinsky schilderde sprookjesachtige taferelen die aan de illustraties van Bilibin doen denken. Hij werkte in stevige toetsen. Boccioni schilderde in Italië in puur expressionisme, in felle onwerkelijke kleuren.
Rousseau behield ziin naïeve stijl, in "Le rêve" (10) ligt een naakt op de sofa in een exotisch oerwoud. Aanvankelijk werd met hem de spot gedreven, maar hij raakte in contact met Apollinaire, Picasso en Delauney en slaagde erin om werk te verkopen aan verzamelaars.

Henri Rousseau, Le Rêve, 1910

 

In Rusland richtten zestien jonge kunstenaars rond de eeuwwisseling een nieuwe symbolistische kring op in Moskou, met kunstenaars uit diverse Russische steden (vooral Saratov aan de Volga was een belangrijke artistieke plaats). Pavel Koeznetsov en Pjotr Oetkin hadden er de leiding. In 1907 werd in Moskou een tentoonstelling gehouden onder de titel
"De blauwe Roos". Alles was tot in de puntjes verzorgd, volledig in blauwe en grijze kleuren, zowel de werken als het interieur. Het concept en de naam waren ontleend aan het werk van de Belgische dichter-dramaturg Maurice Maeterlinck, waar de Russische kunstenaars hartstochtelijke liefhebbers van waren. Toen de tentoonstelling werd ingericht liep in Moskou zijn "L'oiseau bleu" in wereldpremière. Eerder, in 1904, liep in Saratov een tentoonstelling "De rode roos". De roos is altijd een vereerd symbool geweest in de kunst: de bloem en doornen voor het onscheidbaar samengaan van vreugde en smart, goed en kwaad, liefde en verdriet, het mysterieuze van de knoppen die die zich niet helemaal openen... Door Maeterlincks werk werd de benaming van de kring veranderd in "De blauwe roos", met schilders als Pjotr Oetkin, Pavel Koeznetsov, Alexander Matvejev, Anna Goloebkina, Anatoli Arapov, Denissov en Grigorjev.

Malevitch werkte in aquarel of gouache zoals "De bloemenpluk" (1908) zuiver expressionisme á la Brücke. Andere werken van hem zijn meer gestyleerd, zoals de nabi's, maar met patronen opgevuld, die naar de volkskunst verwijzen. Hammerhøi schilderde in Denemarken mysterieuze verlaten interieurs.

In Oostenrijk schilderde Kokosjka expressionistisch vanaf 1908, in een heel afwisselende stijl. Schiele's expressionisme kreeg vorm tussen 1907 en 1909, hij blijft dichter bij de art nouveau, met duidelijke invloed van Klimt, maar met ook verschillen. Vooral in zijn olieverfschilderijen is hij ook in kleur en structuur expressionistisch, zoals "Moeder met twee kinderen III" uit 1915 - 17.

Hongarije en Polen volgden Parijs op de voet en dat zien we bij hun schilders. Wie zich niets van zijn landgenoten aantrok, noch van de rest van Europa, was de Hongaarse schilder Contvary. Ook hij werkte heel variërend, en toch is er een niet te omschrijven draad in zijn werk, dat hem herkenbaar maakt. Nu eens doet hij aan De Chirico denken, dan weer aan sfeerlandschappen van symbolisten. Zijn indeling in kleurvlakken is dan weer nabistisch.

Csontvary, Ruïnes van het Griekse Theater in Taormina, 1904 - '05

Zijn felle kleuren, en de houdingen en gezichten van zijn figuren doen expressionistisch aan, en dat alles helemaal uit zichzelf, zonder dat hij in Parijs heeft geleefd of bij een andere schilder in de leer is geweest.

In zijn "Ruïnes van Taormina" (1904 - 5), vijf meter zeventig lang en nauwkeurig geschilderd, is er expressionisme in de kleuren: de lucht gedeeltelijk knalgeel, bergen in ultramarijn, de zee in kleurvlakken, de gebouwen roze. De achtergrond is vol licht, of donker. Zijn "Baalbek" (7,16 m lang, uit 1906) is in groenblauwe en felrode vlakken en vlakjes. De expressie vervormt gestalten, zoals in "Ruiters aan de kust" (1909) of de zeilboten in "Castellamare di Stabia" (1902). Zijn "Romaanse brug in Mostar" is half kubistisch en heel expressief, het gebruik van vlakken doet aan Cezanne denken, hoewel die vlakken hier duidelijk begrensd zijn. De kleuren zijn intens en geven een dramatisch effect. Contvary was apotheker, tot hij een vizioen kreeg waarin hem werd gezegd dat hij voorbestemd was de grootste schilder aller tijden te worden. Zijn vizioen wordt in de literatuur afgedaan als een vlaag van waanzin, toch mag hij als een van de grootsten beschouwd worden.

Copyright voor de tekst op alle pagina's van deze Geschiedenis van de Moderne Schilderkunst: Johan Framhout; tekst geschreven in 1990-92; herzien en op het internet geplaatst in 2005.